Skip to main content

Maarten (meer info ontbreekt)

“Ik stotter wat en barst dan in tranen uit. Minuten lang. Uren lang. Ze blijven stromen, ik kan ze met de beste wil van de wereld niet meer stoppen.”

Drie jaar geleden stortte Maarten in op het werk. Opgebrand. Burn-out. Hij bleef thuis, maandenlang. Hij zocht therapie. Hij zocht pillen. Hij zocht zichzelf. Hij zocht een manier om met het werk en het leven om te gaan.

Dagboekfragmenten:

Woede - eerste dag

Ik ben het station nog niet uit, of ik krijg al telefoon. Er moet dringend een bericht op het intranet gepubliceerd, over een banaal probleem. Maar er zit nog niemand op kantoor! Shit, ik ben zelf ook te laat. Ik probeer me te haasten, maar mijn benen willen niet mee. Hijgend kom ik op kantoor, om daar vast te stellen dat mijn bureaugenoot intussen ook al is aangekomen en alles al in orde heeft gebracht. Verdomme, moesten ze daarvoor zo’n drama maken? Het leek wel een crisis van nationaal niveau!

En dan komt een arme collega vragen of een andere afdeling al op de hoogte is van het probleem.

Ik ontplof.

Ik schreeuw tegen hem, dat het schandalig is dat dit na fucking zes jaar nog steeds niet in orde is. Hij draait zich om en loopt weg, zonder één woord. Toch kan ik niet meer stoppen. “Ik ben die hele afdeling hier kotsbeu!” Ik sta op. Koffie, herhaal ik in mijn hoofd. Een kop koffie halen. Gewoon, rustig ademen en een kop koffie halen. Maar op weg naar de keuken groeit mijn woede nog aan. Keihard keil ik de kop tussen de rest van de vaat. Porselein breekt. De lade ligt vol scherven. Woest sla ik ze terug dicht. Nog meer gerinkel.

Ik ben weg, de trap af, vijf verdiepingen naar beneden.

Ik open een blikje uit de cola-automaat en neem een paar slokken om te bedaren. Het lukt niet. Ik wil nog steeds dingen kapot slaan. Dan steekt paniek de kop op.

Ik kan niet terug.

Ik kan niet terug naar boven. Hoe kan ik al die mensen nog onder ogen komen na wat ik heb gedaan? Ik kan niet terug, maar ik kan ook niet weglopen. Ik heb zelfs mijn badge voor de uitgang niet bij me. Ik zit gevangen in de gangen van het kantoor.

Ik herinner me de weg naar het eerstehulplokaal. Ik ben er al eerder geweest, toen ik geen pijnstillers tegen migraineaanvallen bij me had. Ik moet er verschrikkelijk uit zien, want ik ben de drempel nog niet over of er komt een verpleger bezorgd naar me toe: “Kom, wij gaan even apart zitten in het lokaal hiernaast.”

We zetten ons aan de tafel. Hij probeert me met een vriendelijke, zachte stem gerust te stellen. “Hier zit je veilig. Niemand zal ons hier komen storen. Kun je me vertellen wat er is gebeurd?”

Ik weet niet wat te antwoorden. Ik stotter wat en barst dan in tranen uit. Minuten lang. Uren lang. Ze blijven stromen, ik kan ze met de beste wil van de wereld niet meer stoppen.

"Laat het er maar allemaal uit. Dat is oke. Dat is goed.” De verpleger blijft me geruststellen, tot ik weer in staat ben hem aan te kijken.

Uiteindelijk kan ik toch vertellen wat er gebeurd is.

De woede-uitbarsting. De koffiekop. Ik slaag er ook in enkele vragen te beantwoorden, tussen nieuwe huilbuien door. Nee, ik heb geen conflict met mijn baas. Nee, ik word niet gepest. Ja, de werkdruk is wel hoger dan vroeger, maar het zou toch zeker niet ondoenbaar mogen zijn. Nee, ik snap helemaal niet waar dit vandaan komt.

Ik kan het gewoon allemaal niet meer ààn.

Ik weet niet hoe lang ik binnen zit. De verpleger blijft tegen me praten om me op mijn gemak te stellen, maar mijn hoofd vult zich langzaam met watten. Ik begrijp dat hij wil dat ik de rest van de dag rust neem. En dat ik bij mijn huisarts langs ga. “Ik verwittig je bazen wel. Ik mail ze dat ik je onderzocht heb en je ziek naar huis laat gaan.”

Maar eerst moet ik nog terug naar boven. Mijn jas halen, mijn portefeuille, mijn sleutels, gsm. Het gebeurt allemaal in een waas. Mijn bureaugenoot toont alle begrip, en herhaalt een paar keer dat ik me geen zorgen moet maken. Ze heeft alles onder controle, verzekert ze met een veel te nadrukkelijke glimlach.

Een van mijn teamhoofden wil toch nog even met me praten. Hij doet moeite om zijn bezorgdheid te tonen, en wil weten of er iets specifiek aan de hand is. Ik hoor amper wat hij vraagt, en wanneer ik uiteindelijk buiten sta op straat herinner ik me maar één ding dat ik gezegd heb:

“Ik wil gewoon zorgen dat ik niet meer iedere ochtend sta te schreeuwen tegen mijn zoontje.”

Maarten schreef er een blog ‘Alweer een opgebrand geval’ en een boek ‘Opgebrand’ over. Het vervolg van Maarten zijn blog, kan je hier lezen.