Skip to main content

Marianne Vos, 29, topsportster wielrennen

“Ik wilde heel graag fietsen, maar dat ging gewoon niet meer.”

Zelfs voor Marianne Vos is er meer in het leven dan wielrennen, ontdekte ze de afgelopen jaren. De vrouw die sinds haar jeugdjaren een duizelingwekkende hoeveelheid prijzen veroverde, viel bijna twee jaar geleden stil. Overtraind.   

Een half jaar nam ze gedwongen rust. Ze kon niet meer. Een langdurige periode van herstel volgde en nog is ze niet op haar oude niveau. Ze sloeg wereldkampioenschappen (wegwielrennen en veldrijden) over, reed vorig jaar bij de Olympische Spelen in Rio de Janeiro rond in de schaduw van andere Nederlandse vrouwen, die wel hoofdrollen vervulden. 

Fietsen is nooit het probleem geweest. Maar ik kwam er niet aan toe om mijn lichaam te laten herstellen. 

Ik neem mezelf ergens wel kwalijk dat ik zo over de schreef ben gegaan. Het punt was vooral dit: ze kon geen nee zeggen tegen de randverschijnselen die komen kijken bij een rolmodelcarrière in de topsport. Ik liet te vaak m'n neus zien bij een sponsor, stond te veel journalisten te woord, draafde te vaak op bij wielerbonden. Allemaal zaken waar ik mezelf verantwoordelijk voor voelde. En ik vond: als ik voor de ene partij iets doe, dan moet ik dat voor een ander ook doen.''  Het klinkt als iets wat meer succesvolle jongeren meemaken: een burn-out als twintiger. Ik wilde heel graag fietsen, maar dat ging gewoon niet meer.

Waar komt dat verantwoordelijkheidsgevoel bij jou vandaan? 

Misschien zit het hier wel in de streek. Mensen krijgen hun talent, dat moet je gebruiken. En dat is eerder gewoon dan dat het bijzonder is. Dat heb je meegekregen van God, dat moet je benutten. Ik denk dat ik van daaruit de verantwoordelijkheid voelde om iets terug te geven voor het talent dat ik heb. Iets teruggeven aan de sport, aan mijn omgeving, aan waar ik opgegroeid ben, aan het gezin.

Tegelijkertijd moet je in topsport egoïstisch zijn. Die kant heb je ook, anders had je niet zo veel kunnen winnen. Ik vind mezelf ook heel egoïstisch.

Is die balans veranderd door die burn-outklachten?   

De eerzucht is nog precies hetzelfde. Het verantwoordelijkheidsgevoel is er ook nog, maar ik probeer dat nu wel iets meer te betrekken op wat ik echt belangrijk vind. In plaats van me overal verantwoordelijk voor te voelen, want dat kan dus niet.   

De ironie is dus dat je daar egoïstischer in moest worden.

Dat ik vooral moest leren afvragen: wat is belangrijk voor me, waar kan ik echt van waarde zijn? Dat doe ik nu en wat blijkt: mensen vinden het ook helemaal niet gek als je eens nee zegt.

Heb je gebeden voor je herstel?   

Jawel. Vooral dat ik de juiste keuzes mocht maken. En ook dat ik kracht mocht krijgen om te herstellen.

Heb je, toen het niet goed ging, vertrouwen of moed uit het geloof kunnen putten? 

Het klinkt heel diepzinnig, maar ik heb me wel een tijd afgevraagd: wat is de zin van het leven? Voor mij was dat fietsen. Maar ja, dat is het natuurlijk niet. Uiteindelijk word je geen beter mens doordat je heel hard van A naar B kunt fietsen. Dat je, naast je vak, ook een heel goed mens kunt zijn heeft me wel gesterkt. Ik hing mijn identiteit vroeger meer op aan de resultaten. En nu ook aan andere dingen. Iemand eens een kaartje sturen, een leuk berichtje. Iemand helpen. Ik weet nu dat ik ook van waarde kan zijn zonder dat ik grote wedstrijden win. Ook door er te zijn voor mijn gezin. Ik bedoel: mijn familie, het gezin waar ik deel van uitmaak.